De weg naar de troon: De Farsa de Ávila

De druk op de kroon

Alcázar Segovia
Alcázar Segovia

Aan het hof van Segovia volgden de gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op. Koningin Juana raakte zwanger, al dan niet bevrucht door koning Enrique IV.

Isabel en Alfonso werden om politieke redenen naar het hof gehaald. Kort daarna werd prinses Juana geboren, die al snel de bijnaam ‘La Beltraneja’ kreeg vanwege de verdenking dat niet Enrique, maar Beltrán de la Cueva haar werkelijke vader was. Intussen keerden Pacheco en Carrillo, samen met een groep andere edelen, zich tegen Enrique, terwijl koningin Juana Isabel met groeiend wantrouwen in de gaten hield.

De positie van Enrique kwam steeds verder onder druk te staan. Het respect voor hem was gering, en hij werd voortdurend van verschillende kanten aangevallen omdat hij geen grip had op het hof. Enerzijds was dit te wijten aan zijn warrige manier van regeren, vooral doordat hij de traditionele hiërarchie binnen de adel negeerde. Anderzijds speelde ook zijn zachte karakter mee: hij schuwde conflicten, vermeed confrontaties en zocht steeds naar harmonie en diplomatieke oplossingen. Pacheco maakte hier handig gebruik van door zich in eerste instantie tot lieveling van Enrique te manipuleren. Toen hij door Beltrán de la Cueva voorbijgestreefd werd, én omdat het hem beter uitkwam, veranderde hij zonder scrupules in zijn felste tegenstander.

Isabel had op dat moment nog geen deel uitgemaakt van de machtsstrijd; ze bevond zich in een kwetsbare positie, afhankelijk van de grillen van een koning die haar wantrouwde en een adel die haar slechts als pion zag. Ze sprak weinig, maar observeerde scherp. Ze bleef buiten de intriges, maar zag alles om zich heen gebeuren. Zo leerde ze hoe het hof werkt, hoe macht functioneert, hoe je mensen leest, hoe je zwijgt en wacht. Tegelijkertijd werd haar religieuze opvoeding voortgezet: sober, streng en diep doorleefd, met dagelijkse missen en de nadruk op gehoorzaamheid en innerlijke discipline. In deze jaren werd de zelfbeheersing gevormd die haar later zo zou kenmerken.

Haar zorgen om Alfonso namen toe. Hij was haar twee jaar jongere broer en degene die het meest in aanmerking kwam om Enrique op te volgen. Alfonso stond bekend om zijn ongecompliceerde, naïeve karakter en werd daarom “el Inocente”, “de Onschuldige”, genoemd. Net als Isabel had ook hij nauwelijks ervaring met de politieke realiteit, wat hem uitermate geschikt maakte voor de plannen van Pacheco en Carrillo.  Isabel wist dat Alfonso niet de persoonlijkheid had om om te gaan met manipulatie, intriges en de druk van de edelen, waardoor hij gemakkelijk als pion kon worden ingezet in een spel dat hij zelf niet begreep. Ze kende de wreedheid en zelfzuchtigheid van Pacheco en voorzag dat de manipulaties rond Alfonso konden leiden tot een burgeroorlog. Bovendien begreep ze dat zijn positie direct invloed zou hebben op haar eigen toekomst. Ze stond er op dit moment echter alleen voor. Ze had geen politieke macht, geen eigen netwerk en geen bescherming, waardoor ze zich kwetsbaar en onveilig voelde.  De enige op wie ze kon vertrouwen was Gonzalo Chacón.

Terwijl de spanningen aan het hof opliepen, begonnen de tegenstanders van Enrique hun positie te versterken. Pacheco en Carrillo wisten een brede coalitie van ontevreden edelen achter zich te verzamelen, die zich steeds openlijker tegen de koning keerden. De twijfel over de legitimiteit van prinses Juana was daarbij een bruikbaar middel. Voor velen bood Alfonso een aantrekkelijker alternatief, niet vanwege zijn capaciteiten, maar omdat hij door zijn jeugdigheid en karakter eenvoudig te sturen was. De oppositie gebruikte hem als voertuig naar een ander Castilië, een Castilië waarin zij zelf opnieuw invloed en macht konden uitoefenen. Naarmate de onrust groeide, werd duidelijk dat een vreedzame oplossing steeds onwaarschijnlijker werd. De edelen zochten naar een moment om hun breuk met Enrique zichtbaar en onomkeerbaar te maken.

De situatie escaleerde in het voorjaar van 1465. De edelen die zich tegen Enrique hadden gekeerd, waren inmiddels tot de overtuiging gekomen dat alleen een openlijke en symbolische breuk de machtsverhoudingen kon veranderen. Zij kozen ervoor Alfonso tot tegenkoning uit te roepen en zo Enrique’s gezag publiekelijk te ondermijnen. Op 5 juni 1465 verzamelden zij zich buiten de muren van Ávila, waar zij een houten platform hadden opgericht met daarop een levensgrote beeltenis van Enrique in koninklijke gewaden. In een zorgvuldig geregisseerde ceremonie werd deze figuur van zijn symbolen van macht ontdaan en letterlijk van de troon gestoten. Aansluitend werd Alfonso door dezelfde edelen tot koning van Castilië uitgeroepen. Deze gebeurtenis, later bekend als de Farsa de Ávila, markeerde een openlijke en onomkeerbare breuk binnen het koninkrijk en luidde een periode van gewapend conflict in.

Ávila

Ávila staat bekend om haar indrukwekkende stadsmuren. Het is een van de weinige steden waar de middeleeuwse ommuring nog volledig intact is: een gesloten ring van ongeveer 2,5 kilometer, met 87 torens en 9 poorten, 12 meter hoog en drie meter dik. De muren werden aan het einde van de 11e eeuw, kort na de herovering op de Moren, gebouwd. Een uniek detail is dat de kathedraal van Ávila gedeeltelijk in de muur is geïntegreerd; het koor fungeert zelfs als versterkte toren. Sinds 1985 staan de muren op de UNESCO‑werelderfgoedlijst.

Met deze beelden en informatie in mijn hoofd reis ik van Segovia naar Ávila. Iets meer dan een uur met de bus. Een van de voordelen van reizen met de bus is dat je veel ziet van het landschap: dwars door het Castiliaanse binnenland, met open, goudkleurige hoogvlaktes, zacht golvende heuvels en hier en daar een dorp dat al eeuwen nauwelijks veranderd lijkt. De route voert door de Sierra de Ávila en langs de uitlopers van de Sierra de Guadarrama, met af en toe prachtige vergezichten, lange horizonten en dat karakteristieke Castiliaanse licht.

Het oude, ommuurde centrum van Ávila is gezellig en levendig. Veel bezoekers komen hier om de indrukwekkende stadsmuren te bewonderen. Dit weekend is er een middeleeuwse markt. Verklede mensen, steltlopers, mensen vermomd als bomen, jongleurs, eettentjes, draaimolens.

Cuatro Postes

Net buiten de stad ligt Cuatro Postes, een religieus monument uit de 16e eeuw.Ik had erover gelezen in La sombra del ciprés es alargada, de debuutroman van Miguel Delibes, en daardoor wilde ik het graag zelf zien. Vanaf Cuatro Postes heb je een prachtig uitzicht over de stad.  En het is kennelijk een gewild punt om de stad vanaf hier te schilderen. Ergens in de jaren negentig was ik hier en toen zag een schilder een portret van de stad maken. Nu zit er op precies dezelfde plek opnieuw een man met zijn ezel, alsof er niets veranderd is sinds die dag. Ik bewonder het monument en het uitzicht.

Muren zijn er niet alleen om te bewonderen, maar ook om overheen te lopen. En dat kan in Ávila. Voor vijf euro loop ik een uur over de muur. Van boven gezien ziet de stad er anders uit. Kleiner, vrolijker. Ik speur naar de plek waar het Farsa de Ávila zich kan hebben afgespeeld, maar ik zie vooral een onontwarbare kluwen van feestende mensen. De Oficina de Turismo zou uitkomst kunnen bieden. De vrouw, die van zichzelf een middeleeuws uiterlijk heeft, is vriendelijk en goed te verstaan, maar kan me niet vertellen waar de Farsa is geweest. Wel weet ze me te vertellen dat er in deze provincie ook andere plaatsen zijn die van belang zijn als het om Isabel gaat. Zoals Madrigal de las Altas Torres. Ik antwoord dat ik daar al drie keer ben geweest. En in Arévalo. Vier keer. Met een blik van bewondering wenst ze me een leerzaam verblijf in Ávila toe. Ik krijg trek in bier.

Een koning van lappen en hout

Ik werk me door het feestgedruis op zoek naar een plek waar ik rustig kan zitten. Binnen de ommuurde binnenstad maak ik geen kans. Net buiten de muren ligt een groot plein; het is er druk, maar ik zie dat er op één terras nog stoelen vrij zijn. De mensen op het plein doen hun best om er zo middeleeuws mogelijk uit te zien. Samen met de zachte verdoving van het bier zorgt dat ervoor dat ik me goed kan verplaatsen naar de tijd van de Farsa.

Twee jongentjes met houten zwaarden worden aangespoord tot onderlinge strijd door een hofnar met belletjes aan elk van de vijf punten aan zijn rood-groene muts. Zou dit de hofnar van Enrique kunnen zijn? Een troubadour zingt een voor mij niet te verstaan middeleeuws lied. Ik verbeeld me dat hij de start van de Farsa aankondigt. Hij wijst naar de muur richting de Puerta del Alcázar met zijn twee enorme, ronde torens van bijna 20 meter hoog. Daar gaat het gebeuren.

Timmerlieden leggen de laatste hand aan het grote, vierkante houten platform, hoog genoeg om door iedereen op het plein gezien te worden. Er wordt een vormeloze hoop doeken op het podium gekwakt. Bij nadere beschouwing zie ik dat het een pop moet voorstellen. De pop wordt gehesen op een stoel die op een troon moet lijken. De slappe lappen geven het figuur een flubberig  uiterlijk. De kroon, het zwaard en de scepter die worden toegevoegd, maken duidelijk dat het een koning moet voorstellen. De kroon hangt scheef, alsof zelfs dit stuk karton weigert om waardigheid uit te stralen. Een van de timmerlieden probeert hem recht te zetten, maar het gevolg is dat het hoofd van de pop naar voren valt. Met de kin op de borst wordt de krachteloze uitstraling nog duidelijker zichtbaar. Als een soort grap stut een van de werklieden het hoofd met de scepter. Een in het zwart geklede man betreedt het podium en legt een rode mantel over wat de schouders van de koning moet voorstellen. Hij schopt met een achteloos gebaar de stuttende scepter onder de kin vandaan, raapt hem weer op en moffelt hem half onder de mantel. Triomfantelijk kijkt hij met zijn kleine priemogen het publiek in. Is dit Pacheco? De regisseur van wat ons te wachten staat?

Zijn blik kruist die van een grote man in het publiek, gekleed in een kerkelijk gewaad, een gouden kruis op zijn borst. Zou dit aartsbisschop Carrillo zijn? Om hem heen staan mannen die duidelijk tot de hogere adel behoren, en een jongen die schuchter naar de grond kijkt. Hij zal niet ouder dan twaalf zijn. Pacheco springt van het podium en maant de jongen fier te kijken.

Dan beklimt, onder luid gejuich van het nog steeds toestromende publiek, een van de edelen het podium. Zo te zien is het Diego López de Zúñiga. Hij loopt op de pop af, houdt een stuk perkament in zijn handen en steekt dit de lucht in. Het publiek joelt. Mensen staan op tenen, kinderen worden op schouders gezet. De troubadour zwijgt. Zelfs de hofnar houdt zijn belletjes stil.

Zúñiga haalt diep adem. “Hoor de beschuldigingen van de Liga Nobiliaria!”, roept hij. Zijn stem is laag, gedragen, bijna plechtig.

  1. “De Liga beschuldigt koning Enrique van slecht bestuur…”,
  2. “…van het verkwanselen van de rijkdom van Castilië…”
  3. “…van het omringen van zichzelf met onwaardige favorieten…”
  4. “…en van het verwaarlozen van zijn plicht om het koninkrijk te beschermen.”

Na de laatste woorden voelt het publiek de spanning en zwijgt. De twaalfjarige jongen kijkt verdwaasd om zich heen en ziet dat Carrillo zich een weg naar voren baant. Met zijn kenmerkende zalvende glimlach betreedt hij het podium en loopt recht op de pop af. Het lijkt alsof de pop schrikt. De rode mantel glijdt een stukje van de rechterschouder. De scepter trilt.

Carrillo kijkt nog een keer het publiek in, met een gemeen lachje. Twee vingers zoeken de scheefhangende kroon. Een zucht gaat door de menigte. Met een kleine, beheerste beweging tilt Carrillo de kroon van het hoofd van de pop. Hij houdt hem even omhoog en werpt hem dan met een brede zwaai het publiek in. De waardigheid van de koning is hiermee vervlogen.

Met grote stappen komt Rodrigo Pimentel het podium opgestormd. Nu moet het zwaard het ontgelden. Beter dan Pimentel kan niet, want hij was een van de machtigste militaire magnaten van Castilië. Met een luide ‘krak’ wordt het zwaard op Rodrigo’s knie tot twee stukken brandhout teruggebracht en vervolgens op de grond gekwakt. Hiermee wordt Enrique zijn militaire macht, zijn wereldlijke uitvoerende macht, ontnomen. Het publiek juicht hartstochtelijk.

Het afnemen van de scepter wordt gegund aan Álvaro de Zúñiga – de broer van Diego, de man die de beschuldigingen voorlas –, een van de rijkste en machtigste mannen van het koninkrijk en hoofd van de Liga Nobiliaria. Niemand belichaamde de bestuurlijke macht van Castilië beter dan hij. Met de scepter in zijn hand lijkt hij de toeschouwers te dirigeren. Het publiek fluistert instemmend. Vervolgens wijst hij met de scepter naar de twaalfjarige jongen die nog steeds tussen de edelen in het publiek staat. De jongen draait zich, schuchter, om en kijkt in mijn richting. Ik knik. Een van de edelen draait hem weer terug en duwt hem richting podium.

Inmiddels is Diego López de Zúñiga weer op het podium verschenen. Hij wacht tot de jongen bij Carrillo naast de pop staat en schopt de pop dan met een harde trap omver. “¡Al suelo, puto!” Het publiek juicht. Ook Carillo geeft de pop een schop en schreeuwt “¡Al suelo, puto!”, en terwijl de jongen de scepter ontvangt, schreeuwt hij: “¡El nuevo rey: Alfonso!  Wanneer Rodrigo Pimentel de pop bij haar slappe lijf grijpt en door de lucht slingert, scandeert het publiek: “¡Viva el rey Alfonso!”

Even wil ik met het publiek mee brullen, maar dan denk ik aan Isabel. Zij weet als geen ander dat Alfonso nog lang niet klaar is om te regeren, dat Pacheco en Carrillo hem als marionet zullen gebruiken, en dat een burgeroorlog onvermijdelijk wordt tussen de aanhangers van de nieuwe koning en die van Enrique. Lang niet alle edelen steunen de Farsa. Enrique kan bijvoorbeeld nog altijd rekenen op de steun van de machtige familie Mendoza. Voor Isabel is dit een lastige positie —  ze staat tussen twee kampen: de adel die Enrique wil afzetten, en Enrique, die haar als mogelijke erfgename ziet zolang ze loyaal blijft.

Ik blijf nog even hangen in mijn dagdromen en bij mijn bier. De twee knapen slepen hun houten zwaarden over de grond, uitgeput van hun strijd. De hofnar heeft zijn belletjesmuts afgezet en gaat aan een tafeltje iets verderop zitten om een bier te bestellen. Ik bestel er ook nog een.

De prijs van een poppenkoning

Achter dit groteske schouwspel ging echter een veel ernstiger manoeuvre schuil. Het eerste document dat men het kind liet ondertekenen was een brief waarin werd beweerd dat Enrique IV samen met Beltrán de la Cueva had samengespannen om de geboorte van Juana te bewerkstelligen. Daarmee werd vastgelegd dat het meisje niet de dochter van de koning was. Zo veranderde de ceremonie van de Cortes van Madrid — een plechtige, juridische beslissing van het hoogste politieke orgaan van Castilië — in een ware fraude. In die ceremonie was namelijk kort daarvoor bevestigd dat Juana de erfgename was. Zonder dit document had de Farsa veel minder kracht gehad. Het was de juridische voorbereiding op het theatrale spektakel waarin Alfonso tot koning werd uitgeroepen. De edelen die tegen Enrique waren, konden nu zeggen: “Zelfs Alfonso heeft ondertekend dat Juana een bastaard is.”

Intussen was Isabel op de hoogte gebracht van wat er in Ávila was gebeurd. Of ze zich besefte wat de gevolgen van deze gebeurtenissen zouden zijn, moet worden betwijfeld. De wegen van Pacheco en Carillo waren ondoorgrondelijk. Deze verklaring betekende dat ze de volgende was in de lijn van de troonsopvolging, maar ze wilde geen pion zijn van de Liga. Tegelijk kon ze Enrique niet volledig vertrouwen. Ze moest balanceren tussen twee kampen die haar allebei wilden gebruiken en de ondertekening van Alfonso maakte haar dilemma acuut.

Isabels smalle pad

De oorlog die op de Farsa volgde tussen de aanhangers van Enrique en de rebellen leverde geen overwinning op voor een van beide partijen, maar zorgde wel voor grote verliezen en veel bloedvergieten. Een interventie van de paus, die bezorgd was over de politieke instabiliteit in Castilië en over de rol van de kerkelijke hiërarchie in het conflict, leek een uitweg te kunnen bieden. Maar Pacheco zou Pacheco niet zijn als hij niet zijn eigen koers zou varen. Het machtsblok dat hij had opgebouwd was nog niet sterk genoeg om het koninkrijk volledig te beheersen, en Isabel zou daarbij een cruciale troef kunnen zijn. In het geheim deed hij Enrique een voorstel dat hem de beslissende overwinning kon opleveren. Pacheco’s broer, Pedro Girón — meester van de Orde van Calatrava — beschikte over de middelen om dit plan mogelijk te maken: een enorm kapitaal van zestigduizend gouden doblas en een leger van drieduizend ruiters. De Orde van Calatrava was in de 15e eeuw een militaire supermacht binnen Castilië, en zestigduizend gouden doblas was een astronomisch bedrag, genoeg om een oorlog te financieren. Op deze manier zou Pacheco de positie van Enrique kunnen herstellen.

Pacheco stelde voor dat Isabel zou trouwen met Pedro Girón in ruil voor Giróns militaire steun aan Enrique. Dit betekende dat:

  1. Girón door het huwelijk een troonpretendent zou worden
  2. Pacheco via zijn broer de macht achter de troon zou worden
  3. Enrique eindelijk de opstand zou kunnen breken

Voor Isabel was dit vreselijk. Ze verafschuwde Pedro Girón en verklaarde dat ze liever in een klooster zou gaan wonen dan met hem te trouwen. Girón was weliswaar rijk en machtig, maar Isabel zag hem als immoreel, wreed en gevaarlijk. En niet onbelangrijk: hij was oud genoeg om haar vader te zijn. Ze had echter geen macht om het tegen te houden. Het enige wat ze kon doen was bidden, smeken en huilen.

Misschien heeft haar bidden geholpen, want op weg naar Valladolid, waar hij Isabel zou ontmoeten, werd Girón plotseling ziek en stierf binnen enkele dagen. Waardoor hij ziek geworden is, is niet met zekerheid te zeggen. Voedselvergiftiging? Een Epidemische ziekte? Ook vergiftiging door zijn vijanden is niet uitgesloten. In ieder geval was het voor Isabel net op tijd. De dood van Pedro Girón is een van die momenten waarop de geschiedenis op een haar na helemaal anders had kunnen lopen.

Voor Isabel was het een Goddelijke interventie die haar toch al rotsvaste geloof een nog steviger basis gaf. Voor Pacheco was het echter een regelrechte ramp. Zijn hele plan stortte in en hij verloor de greep op Enrique. De opstand kreeg nieuw leven. Voor Isabel daarentegen betekende het een groei van haar morele autoriteit en haar prestige. Het was een grote stap op de weg naar haar uiteindelijke troonsbestijging.

Een verjaardag in de schaduw van de troon

Intussen verbleef Alfonso in Arévalo, het stadje waar hij was opgevoed en waar zijn moeder nog steeds woonde. Hij was koning zonder te regeren, zonder een eigen machtscentrum en zonder eigen middelen. Het was de enige plek waar hij een hof kon hebben, maar dat was klein, arm en geïmproviseerd. En, niet te vergeten, volledig afhankelijk van de Liga.

Isabel was nog steeds in Segovia, onder het toeziend oog van Enrique IV en vooral van reina Juana. Af en toe kreeg ze toestemming om naar Arévalo te reizen om haar moeder te bezoeken, maar omdat Alfonso daar als tegenkoning verbleef, maakten de politieke spanningen zulke bezoeken steeds moeilijker. Voor de viering van Alfonso’s veertiende verjaardag — het moment waarop hij volgens Castiliaans recht als meerderjarig werd beschouwd — moest Enrique haar echter wel laten gaan. Een weigering zou politiek riskant zijn geweest en de Liga woedend hebben gemaakt; door in te stemmen kon hij de schijn ophouden dat er geen conflict bestond.

Ondanks de politieke problemen waarmee de familie in die tijd te maken had, was de sfeer tijdens deze viering feestelijk. Naast andere festiviteiten waren er voorstellingen van literaire composities in de vorm van mythologische legendes, de zogeheten momos, waarin lofbetuigingen en goede wensen voor Alfonso werden uitgesproken. Deze momos waren geschreven door de dichter Gómez Manrique en werden voorgedragen door Muzen. De eerste strofe gaat als volgt:

Tot uw koninklijke excellentie komen wij,
wij feeën, hier verschenen,
geleid en voortgedreven 
door de goddelijke essentie.

Ieder zal vanuit haar eigen gedaante
u gezamenlijk bezingen;
en ik gebied in mijn vertoon
dat voorspoed en geluk voortaan
uw wil gehoorzamen.       

Alfonso was verrast toen hij besefte dat de rol van één van de Muzen werd gespeeld door Isabel. Ze was net als de andere Muzen verkleed als fee, waarschijnlijk met een toverstokje in haar hand. Dat zij, ondanks de druk die ze aan het hof moet hebben ondervonden, toch vrolijk en vol overgave op de voorgrond kon treden, getuigt van haar vroege volwassenheid en haar vermogen om te relativeren.

Waarschijnlijk bereidde Isabel zich erop voor om een waardevolle steun voor Alfonso te kunnen zijn tijdens zijn koningschap, en voelde Alfonso zich gesterkt door haar steunbetuiging. Maar geschiedenis zou geen geschiedenis zijn als het noodlot niet zou toeslaan: zijn koningschap zou nog slechts zeven maanden duren…