Naar het Hof van Segovia

Segovia is een plaats ten noordwesten van Madrid, bekend vanwege het imposante alcázar en het gigantische aquaduct. De stad kent een lange, rijke geschiedenis. Het aquaduct werd waarschijnlijk in de eerste eeuw na Christus in opdracht van keizer Trajanus gebouwd. Het alcázar stamt uit de twaalfde eeuw en heeft eeuwenlang gediend als residentie van het Castiliaanse hof, waarbij het een fundamentele rol speelde in de politieke en dynastieke ontwikkeling van Spanje.

Segovia Aquaduct

Ik reis ernaartoe vanuit Madrid via Cercedilla, een schilderachtig plaatsje in de Sierra de Guadarrama. Dit bergdorp leent zich uitstekend voor wandelingen door de natuur. Ik blijf hier drie dagen om even bij te komen van het drukke leven in Nederland en het overweldigende stadsleven van Madrid. En ook om een klein beetje te verspaansen om me op mijn taken voor te bereiden. Na een meditatief verblijf in de bergen duik ik in de geschiedenis van Isabel la Católica. De boemeltrein rammelt me in drie kwartier naar Segovia, traag slingerend door de bergen, nooit sneller dan vijftig per uur.

De stad, gelegen in het landschap waar de rivieren Eresma en Clamores samenkomen, oogt vriendelijk. Het aquaduct trekt toeristen aan van over de hele wereld zonder overspoeld te raken. Het alcázar zorgt samen met de kronkelige straatjes in het oude centrum voor een sprookjesachtige sfeer.

In 1461, toen Isabel tien jaar oud was, werden zij en haar jongere broer Alfonso door koning Enrique IV naar het hof van Segovia gehaald. Enrique was de oudste zoon van Juan II van Castilië — de vader van Isabel en Alfonso — en diens eerste vrouw, María van Aragón. Enrique werd tot koning uitgeroepen nadat zijn vader in 1454 was overleden.

Hij was in 1440 getrouwd met Blanca II van Navarra, die toen vijftien jaar oud was. Dit huwelijk was oorspronkelijk gesloten als onderdeel van een vredesverdrag tussen Castilië en Navarra, maar verloor zijn strategische waarde toen de politieke situatie veranderde. Het bleef kinderloos en werd in 1453 ontbonden. Enrique stuurde Blanca terug naar Navarra met het verwijt dat zij een magische betovering had uitgesproken die hem seksueel onmachtig maakte — volgens hem alleen met haar; volgens kwaadsprekers ook met andere vrouwen, omdat er nooit sprake zou zijn geweest van daadwerkelijke penetratie. Uit pauselijk onderzoek bleek dat het huwelijk nooit was geconsumeerd en dat Blanca nog maagd was, waardoor het terecht kon worden ontbonden.

Alcázar Segovia

 In mei 1455 trad Enrique, op advies van Juan Pacheco, in het huwelijk met Juana de Portugal, de zus van de Portugese koning Afonso V. Voor Enrique was dit van groot belang om de erfopvolging veilig te stellen. Tegelijkertijd betekende het een directe alliantie met de Portugese kroon, die zowel zijn eigen positie als die van Pacheco tegenover de Castiliaanse adel aanzienlijk kon versterken. Toch waren er twee problemen verbonden aan dit huwelijk. Ten eerste waren Enrique en Juana bloedverwanten, waardoor een pauselijke dispensatie noodzakelijk was. Ten tweede bleef de vraag of Enrique in staat zou zijn met Juana wel een erfgenaam te verwekken. Deze twee kwesties zouden het verdere verloop van de gebeurtenissen sterk beïnvloeden.

Enrique maakte het zichzelf niet makkelijker door te verordenen dat de Castiliaanse gewoonte om het laken van de huwelijksnacht, met daarop de bloedvlek door de ontmaagding, te tonen werd afgeschaft. Daarmee bereikte hij slechts dat de verdenking van seksueel onvermogen werd bekrachtigd. Bovendien gingen er zes jaren voorbij zonder dat Juana zwanger raakte. In die lange periode groeide het besef dat Alfonso, Enrique’s halfbroer, wel eens de troonopvolger zou kunnen worden, en na hem Isabel, zijn halfzuster. Beiden woonden toen bij hun moeder in Arévalo.

Toen Juana, na zes jaar, toch zwanger werd, was de situatie in Castilië allesbehalve stabiel. Pacheco was al jarenlang de belangrijkste raadgever van Enrique en werd gevreesd en gehaat door de andere edelen en gezien als een onbetrouwbare figuur vanwege zijn politieke intriges. Zoals Luis Suárez Fernández opmerkt, handelde hij altijd op dezelfde manier, deuren openlatend om hetgeen wat hij zelf had gecreëerd weer ongedaan te maken en veranderde hij van partij als hem dat uitkwam.

De instabiliteit nam toe door de opkomst van Beltrán de la Cueva. Hij begon zijn carrière als page aan het hof van Enrique IV, maar steeg razendsnel in rang dankzij de gunst van de koning. Hij werd benoemd tot mayordomo, maestresala, grootmeester in de Orde van Santiago, en kreeg diverse kastelen en heerlijkheden. Zijn snelle opmars wekte jaloezie en wantrouwen bij de gevestigde adel, vooral bij Pacheco, die tot dan toe als de belangrijkste adviseur van Enrique gold. In 1461 ontving Beltrán de heerlijkheid van Jimena — een gebied dat eerder aan Pacheco toebehoorde. Dit werd door Pacheco opgevat als een directe belediging en vormde de eerste vonk in hun rivaliteit.

Isabel verhuisde dus in 1461, samen met haar jongere broer Alfonso, naar het hof in Segovia. Enrique wilde de kinderen van zijn overleden vader Juan II dichtbij houden, om hun invloed te beperken en hen strategisch te kunnen inzetten in politieke allianties. De adel was ontevreden over zijn bewind, en sommigen zagen in Alfonso al een mogelijke vervanger voor Enrique. Door Isabel en Alfonso naar het hof te halen, kon Enrique beter zijn rivalen in toom houden.

Voor Isabel, en natuurlijk ook voor Alfonso, was de verhuizing een ingrijpende verandering. Plotseling moesten ze weg van hun vertrouwde, beschermde omgeving. Weg van hun moeder naar het voor hen onbekende Segovia, naar een broer die voor hen een vreemde was. Het moet een tragische gebeurtenis zijn geweest — niet alleen voor de kinderen, die abrupt uit hun veilige wereld werden gehaald, maar ook voor hun moeder, Isabel van Portugal. Zij leed al geruime tijd aan geestelijke instabiliteit. Hun vertrek versterkte haar isolement in Arévalo.

De afstand in kilometers tussen Arévalo en Segovia is groot, maar niet onoverbrugbaar. Het verschil in sfeer was echter onmetelijk. In Arévalo was er rust, liefde van hun moeder en de strenge religieuze opvoeding van de monniken van de orde van Jerónimo en van de toegewijde Gonzalo Chacón. Isabel moet zich kapot geschrokken zijn toen ze terechtkwam in het wespennest van het hof in Segovia — een wereld die voor haar, opgevoed in Arévalo’s ingetogen religieuze sfeer, als een soort Sodom en Gomorra moet hebben aangevoeld. Het hof was gevestigd in het Alcázar van Segovia, het indrukwekkende kasteel op een strategische plek bovenop een rotsachtige heuvel. Voor Isabel zal het Alcázar met zijn gotische zalen en ceremoniële pracht overweldigend zijn geweest.

Alcázar Segovia

Ik bezoek het Alcázar met een georganiseerde visita guiada. In een groep van acht, onder leiding van een vriendelijke gids. We krijgen oortjes om hem goed te kunnen verstaan. Hij praat snel. Wanneer hij doorheeft dat mijn Spaans zijn tempo niet aankan, vertraagt hij iets. Overigens is hij beter te verstaan zonder oortjes.

Met zijn torentjes en ligging op een rots doet het denken aan een fantasiekasteel waar Doornroosje zou kunnen slapen. Waarschijnlijk zag het er in de tijd van Isabel minder sprookjesachtig uit dan nu — soberder en functioneler. De huidige torentjes en gevels zijn deels het resultaat van latere romantische restauraties. Ook zal het er van binnen heel anders hebben uitgezien. We dwalen door de zalen en bewonderen het houtsnijwerk van de plafonds, vaak in mudéjar-stijl. In de Sala de los Reyes (Zaal van de Koningen) bezorgt het houten cassettenplafond, met de portretten van 52 Castiliaanse vorsten, me bijna nekpijn van het omhoog kijken. Tijdens de rondleiding zien we veel originele stukken uit Isabels tijd: wapens, harnassen en meubels die ooit deel uitmaakten van de koninklijke schatkamer.  Of ze allemaal werkelijk tot Isabels persoonlijke bezit behoorden, is niet waarschijnlijk, maar ze geven wel een goed beeld van het hofleven in de tweede helft van de vijftiende eeuw.

Plafond van de Sala de los Reyes
Harnas uit de tijd van Isabel
Kanon

Terwijl ik door de zalen loop, probeer ik me voor te stellen hoe het voor Isabel moet zijn geweest. De weelde en pracht zullen ongetwijfeld een overweldigende indruk op haar hebben gemaakt.

Of Isabel en Alfonso een warme ontvangst kregen van Enrique valt te betwijfelen. De relatie tussen Isabel en haar halfbroer was vooral complex, afstandelijk en politiek geladen. Isabel werd opgenomen in de hofhouding van koningin Juana, waardoor ze deel ging uitmaken van het ceremoniële en sociale leven rond de koningin. Juana kon haar zo beter in de gaten houden. Al snel merkte ze dat Isabel een pienter meisje was, en begon haar als een directe bedreiging te zien. De zorgvuldige bewaking aan het hof werd door Isabel ervaren als een vorm van gevangenschap — of op zijn minst als het ontnemen van elke vrijheid om zelf beslissingen te nemen.

Aan het hof van Segovia leerde Isabel de gezichten kennen achter het politieke spel. Mannen met invloed, ambitie en verborgen agenda’s: Juan Pacheco, de sluwe markies van Villena; aartsbisschop Alfonso Carrillo, meester in diplomatie en intrige; Diego Hurtado de Mendoza, erfgenaam van de machtige Mendoza-dynastie; en Beltran de la Cueva, vertrouweling van de koning. Hun woorden waren dubbelzinnig, hun bedoelingen zelden uitgesproken — maar Isabel luisterde, keek, en leerde. Ze ontdekte wat macht, loyaliteit en manipulatie werkelijk inhielden, en ontwikkelde een diepe afkeer van corruptie. Haar latere nadruk op rechtvaardigheid en religieuze zuiverheid is deels terug te voeren op deze vroege observaties van het hofleven onder koning Enrique IV.

Voor Isabel en Alfonso was het een zegen dat Gonzalo Chacón in hun nabijheid bleef. Hij was een van de weinigen die Isabel volledig vertrouwde. Al in de tijd dat ze nog bij haar moeder in Arévalo woonde, speelde hij een centrale rol in haar opvoeding. Hier aan het hof werd hij een baken van rust en betrouwbaarheid in een wereld vol intriges en politieke spelletjes. Bovendien onderhield hij de verbinding tussen het hof en Arévalo. Zijn echtgenote, Clara Álvarez de Alvarnaez, bleef daar om de moeder van Isabel te verzorgen, nadat haar geestelijke toestand verder verslechterde door het abrupte vertrek van haar kinderen.

Op 28 februari 1462 werd Juana geboren, dochter van koning Enrique IV van Castilië en koningin Juana van Portugal. Maar was zij werkelijk van Enrique? Veel edelen twijfelden aan zijn vermogen om een kind te verwekken. Tijdens zijn huwelijk met Blanca van Navarra, en ook in de eerste acht jaar met Juana, bleef elk teken van zwangerschap uit. Zo kreeg hij zijn bijnaam: El Impotente.

In maart van dat jaar werd Juana gedoopt. Alfonso Carrillo, aartsbisschop van Toledo en machtig man aan het hof, leidde de ceremonie. De markiezin van Villena, echtgenote van Juan Pacheco, en Isabel waren haar peetmoeders. Enrique hoopte zo de schijn van dynastieke harmonie te wekken en Juana’s legitimiteit te versterken. De keuze voor de vrouw van Pacheco kan gemakkelijk worden verklaard als een poging om de band met de markies te versterken.

Later zou blijken dat zowel Isabel als Pacheco een sleutelrol speelden in het ondermijnen van Juana’s aanspraken op de troon. Isabel werd haar directe tegenstander in de successieoorlog. Pacheco liet zijn loyaliteit varen toen de verhoudingen aan het hof veranderden.

Op 9 mei roept Enrique de Cortes bijeen: de vergadering van vertegenwoordigers van adel, geestelijkheid en steden, met als doel Juana officieel te laten beëdigen als Princesa van Asturias — de titel voor de troonopvolger. Het moment werd ongelukkig gekozen: kort daarvoor had hij Beltrán de la Cueva tot graaf van Ledesma gepromoveerd. Aanvankelijk leek er niets aan de hand te zijn. In de kerk van San Pedro el Viejo in Madrid zag Isabel, gezeten op een podium, voor het eerst de 32 procuradores van de Cortes. Bisschop Carrillo nam Juana, toen veertig dagen oud, in zijn armen. Hij, samen met bijna alle aanwezigen, erkende dat de opvolging haar toebehoorde.

Bijna alle aanwezigen — want Juan Pacheco, woedend vanwege de benoeming van Beltrán de la Cueva, had de aanwezigheid van een notaris geëist. Hij had een acte opgesteld waarin hij de beëdiging ongeldig verklaarde.  Hij betwistte Juana’s legitimiteit en verdacht Beltrán openlijk van het vaderschap. Zo ontstond haar bijnaam Beltraneja. Hiermee legde hij een bom onder het koningschap en het huwelijk van Enrique en stak hij een mes in het imago van Beltrán. Uiteraard sneed daarmee hij ook de banden met Enrique door. Vervolgens wist hij een deel van de adel achter zich te scharen om zich openlijk tegen de koning te keren. Onder hen bevond zich, opmerkelijk genoeg, ook bisschop Carrillo — die nog maar kort daarvoor de doop van Juana had bezegeld.

De spanningen namen toe. Dat zag ook koningin Juana die de infanten onder haar persoonlijke bewaking stelde. Degenen die Isabel omringden spraken lof over haar morele gesteldheid in deze moeilijke tijden. Want ze kon ook niet rekenen op de behandeling die haar volgens het testament van haar vader toekwam. Cuéllar, dat het centrum van haar bezittingen had moeten worden, werd haar ontnomen en kwam in handen van Beltrán de la Cueva. Ook haar moeder, de koningin-weduwe, werd benadeeld. Arévalo werd van haar afgenomen ten gunste van Álvaro de Stúñiga, zodat Enrique de banden sterker aanhaalde met deze edelman.

Isabel nam dit op als onrechtvaardigheden die verder bevestigden dat ze vooral diende als instrument voor politieke plannen en belangen. Het gevoel bekroop haar dat er ook een huwelijkspartner voor haar werd gezocht, zodat zij als pion in een politiek schaakspel kon worden ingezet. Ze rechtte haar rug en besloot dat ze in geen geval een huwelijk zou aangaan dat niet in overeenstemming met haar wil zou zijn.

Ik probeer me voor te stellen hoe Isabel met deze omstandigheden omging. Natuurlijk was daar de trouwe Chacón, haar leraar en beschermer. Maar even vaak zocht zij toevlucht bij de Heer en bracht zij lange uren door in gebed, vragend om raad en wijsheid. Op haar blote knieën op de ijskoude stenen vloer heeft ze haar geest verder laten rijpen. De kwetsbaarheid en vastberadenheid die zich toen hebben gevormd, gesteund door haar devote toewijding aan het geloof, spelen een grote rol in de ontwikkeling tot de vrouw die ze uiteindelijk zou worden. Ik bekijk alle kamers, alkoven en zalen met de zekerheid dat ze in elk daarvan heeft gebeden.

Ik beklim de Torre de Juan II, die toegankelijk is voor bezoekers en een spectaculair uitzicht biedt over de stad en het omliggende landschap. Vanaf hier zie ik wat Isabel als haar land heeft gezien: het land waar ze is geboren, waar ze over zou gaan regeren en dat ze nooit zou verlaten.

Ik kan het niet laten om nog een keer door de Troonzaal te lopen om het portret van Isabel te bekijken. Het is een schilderij  dat is gemaakt door Luis de Madrazo, een 19e-eeuwse Spaanse schilder en behoort tot de collectie van het Museo del Prado, maar is als langdurig bruikleen in het Alcázar aanwezig. Opvallend aan dit schilderij is dat ze wordt geportretteerd met rood haar, een erfenis van haar overgrootmoeder, Felipa de Lancaster van moederszijde, die Engels bloed had. Omdat rood haar in die tijd vaak met de duivel werd geassocieerd, werd ze meestal afgebeeld met een tint die meer naar blond neigt dan naar rood. Op dit portret is een volle rode kleur weergegeven. Hoe rood haar haar in werkelijk is geweest kan niet met zekerheid worden gezegd. De artistieke vrijheid van de schilder speelt hier waarschijnlijk een grote rol. Maar in mijn hoofd heeft ze nog steeds blond haar, met misschien een hint van rosé die alleen zichtbaar wordt wanneer de wind ermee speelt.

Portret van Isabel in het Alcázar van Segovia
Portret van Isabel in het Alcázar van Segovia

Op mijn weg terug richting aquaduct kijk ik nog een paar keer om. Het sprookjesachtige beeld van het kasteel imponeert. Als Isabel zich toen hier aan een spinnenwiel had geprikt en in een diepe slaap was gevallen, dan had ik haar nu wakker gekust om te vragen hoe ze die tijd aan het hof heeft beleefd. En nog duizend andere vragen gesteld natuurlijk. Ik loop verder met een glimlach, tevreden met mijn ervaringen en gedachten van vandaag en met vastberadenheid om verder te gaan met mijn zoektocht.